Verboden Liefde in de Gravensteen De Donkere Romance van Joanna van Castilie door Salty Vixen

Verboden Liefde in de Gravensteen: De Donkere Romance van Joanna van Castilië door Salty Vixen

📖 15 mins read

De mist hing als een natte, grijze deken over Gent die nacht, zo dik dat de torens van de Gravensteen slechts als donkere schimmen boven de Schelde uitstaken. Binnen de muren van de oude gravenburcht was de lucht nog zwaarder. Koude steen ademde vocht uit, en de enige warmte kwam van de weinige toortsen die in de smalle gangen brandden. Juana zat op de rand van het zware eiken bed in de kamer die men haar gevangenis noemde. Haar zwarte haar hing los over haar schouders, een wild contrast met de bleke, bijna doorzichtige huid van haar gezicht. Ze staarde naar het kleine raam hoog in de muur, waar de mist tegen de glasruiten drukte alsof hij naar binnen wilde.

Ze was niet gek. Nooit geweest. Maar iedereen geloofde het. Philip, haar echtgenoot, de man die ze ooit met vuur had bemind en die nu alleen nog minachting voor haar overhad, had het gerucht zelf gevoed. “Juana la Loca,” fluisterden ze aan de hoven van Castilië en de Lage Landen. En zij speelde het spel perfect. Ze lachte te hard, praatte tegen muren, weigerde soms dagenlang te eten, of smeet borden door de kamer wanneer er bezoek kwam. Het was haar schild. Zolang ze als gek werd gezien, verlaagden haar vijanden hun wacht. Zolang ze als gek werd gezien, kon ze plannen.

De zware houten deur kraakte open. Geen bediende. Geen wacht met een dienblad. Alleen hij.

Maximilien trad binnen alsof de kamer van hem was. Groot, breed in de schouders, met het donkere haar van een Vlaming en ogen die de kleur hadden van natte steen. Zijn mantel was nog vochtig van de mist. Hij sloot de deur achter zich en draaide de zware ijzeren grendel om. Het geluid klonk als een belofte en een bedreiging tegelijk.

“Je speelt weer,” zei hij zacht, in het Vlaams, met die lage, hese stem die altijd iets in haar onderbuik deed verschuiven. “Ik hoorde je vanmiddag tegen de muur praten. Over engelen die je de namen van je vijanden fluisteren.”

Juana keek hem niet aan. Ze bleef naar het raam staren. “Misschien zijn ze echt.”

Hij kwam dichterbij. Zijn laarzen maakten geen geluid op de stenen vloer; hij bewoog als een man die gewend was te jagen in stilte. “Ik ken je te goed, Juana. De engelen zijn van mij. En de namen ook.”

Toen pas keek ze op. Haar donkere ogen waren helder, scherp, zonder enige waas van waanzin. “Philip komt over twee nachten terug uit Brugge. Hij brengt de oorkonden mee waarmee hij mij officieel onbekwaam wil laten verklaren. Daarna mag hij regeren in mijn naam, over Castilië, over Aragón, over alles wat van mij is.” Haar stem was kalm, bijna zacht. “Als hij dat doet, ben ik voor altijd opgesloten. Niet hier. Ergens dieper. Ergens waar zelfs jij me niet kunt bereiken.”

Maximilien bleef staan, vlak voor haar. Hij droeg nog steeds de zware sleutelbos die Philip hem had gegeven toen hij hem tot haar “bewaker” had benoemd. Officieel was hij haar cipier. Officieel moest hij haar in toom houden, voorkomen dat de gekke koningin zichzelf of anderen kwaad deed. In werkelijkheid was hij degene die elke nacht de grendel omdraaide zodat niemand hen kon storen.

Hij boog zich voorover, legde één hand op het bed naast haar heup. “Dan moeten we sneller zijn.”

Haar adem stokte even. Niet van angst. Van iets anders. Iets dat al weken tussen hen brandde, elke keer dat hij de deur achter zich dichtdeed en de wereld buitensloot.

“Je hebt de namen,” fluisterde ze.

Hij knikte. “Drie graven in Vlaanderen die Philip haten omdat hij hun rechten heeft afgepakt. Twee kapiteins van de stadsmilitie die genoeg hebben van zijn Spaanse belastingen. En een man in de keuken die al jaren wacht op een kans om de wijn van de hertog te proeven… met iets extra’s.” Zijn duim streek over de stof van haar jurk, precies waar de stof over haar dij lag. “Morgenavond. Tijdens het avondmaal. Hij eet altijd alleen wanneer hij terugkomt van een reis. Hij vertrouwt niemand, behalve de man die hem bewaakt.”

“Jij.”

“Jij,” herhaalde hij, en nu glimlachte hij, een dunne, gevaarlijke glimlach. “Ik ben de enige die bij hem mag blijven terwijl hij eet. Ik breng de beker. Jij zorgt dat de mensen buiten geloven dat je die nacht helemaal wegzinkt in je waanzin. Schreeuw. Sla. Scheur je jurk open. Laat ze denken dat je de duivel ziet. Dan komt niemand kijken waarom ik zo lang bij jou blijf.”

Juana stond op. Haar blote voeten raakten de koude steen. Ze was kleiner dan hij, maar toen ze dichtbij kwam, voelde het alsof de hele kamer kleiner werd. “En daarna?”

“Daarna rijden we. Niet naar Castilië. Niet meteen. Eerst naar de mannen die op ons wachten buiten de muren. Dan naar de haven. Een schip naar Engeland, of naar de keizer als dat nodig is. Jij bent de erfgename. Jij hebt het bloed. Ik heb de zwaarden.” Zijn hand gleed omhoog, over haar heup, naar haar taille. “Samen herschrijven we het.”

Ze keek hem aan, lang, alsof ze iets zocht in zijn gezicht dat ze al kende. “Je wist vanaf de eerste dag dat ik niet gek was.”

“Vanaf de eerste keer dat je me aankeek terwijl de bedienden erbij stonden en je deed alsof je een engel zag,” zei hij. “Je ogen lachten. Alleen ik zag het.”

Hij boog zijn hoofd. Hun monden vonden elkaar niet zacht. Het was honger, opgekropt, gevaarlijk. Haar handen gingen in zijn haar, trokken hard, terwijl hij haar tegen de stenen muur drukte. De koude steen beet in haar rug, maar ze voelde het nauwelijks. Zijn mond was warm, ruw, en hij kuste haar alsof hij de tijd wilde opeten die ze nog hadden. Zijn handen gingen onder haar jurk, vonden de blote huid van haar dijen, schoven hoger, tot hij de hitte tussen haar benen voelde.

“Hier,” ademde hij tegen haar mond. “Nu. Voordat de wacht wisselt.”

Ze knikte, te ademloos voor woorden. Hij tilde haar op, alsof ze niets woog, en droeg haar naar het bed. De lakens waren koud. Hij was dat niet. Hij trok zijn mantel af, zijn wambuis, tot zijn blote borst tegen de hare kwam toen hij haar jurk openscheurde. De stof scheurde met een scherp geluid. Ze lachte, zacht, wild, en beet in zijn schouder toen zijn mond haar borst vond, hard, veeleisend.

Zijn handen waren overal. Tussen haar benen, openend, twee vingers die diep in haar schoven terwijl zijn duim over die ene, gevoelige plek cirkelde. Ze boog haar rug, duwde tegen zijn hand, fluisterde zijn naam alsof het een vloek was. Hij liet haar niet klaarkomen. Niet nog. Hij trok zijn vingers terug, bracht ze naar zijn mond, proefde haar, en keek haar aan met die donkere, bijna zwarte ogen.

“Nog niet,” zei hij. “Ik wil je voelen wanneer je komt. Om me heen.”

Hij duwde haar benen uit elkaar, ging tussen hen liggen, en schoof in één langzame, diepe beweging in haar. Ze was nat, klaar, en de rek van hem vulde haar tot ze een geluid maakte dat half kreet, half zucht was. Hij bewoog. Hard. Diep. Elke stoot dreef haar verder in de matrassen. De bedstijlen kraakten. Ergens in de gang klonk een voetstap, maar geen van beiden stopte. Hij legde een hand over haar mond, dempte haar kreten, terwijl hij sneller ging, ruwer, tot de hitte in haar buik zich samentrok en explodeerde. Ze beet in zijn palm. Hij stootte nog twee, drie keer, hard, en kwam met een lage, bijna dierlijke grom in haar.

Ze lagen een tijdje stil, ademend, zijn gewicht zwaar en warm op haar. Buiten huilde de wind om de torens. De mist klopte nog steeds tegen het raam.

Na een tijdje fluisterde hij tegen haar haar: “Morgenavond. Als hij de beker leeg heeft, wacht ik tot hij valt. Dan kom ik hierheen. We gaan door de oude waterpoort. Ik heb de sleutels al nagemaakt.”

Juana draaide haar hoofd, keek hem aan. Haar lippen waren gezwollen, haar ogen helder. “En als het misgaat?”

“Dan sterven we samen,” zei hij eenvoudig. “Maar het zal niet misgaan. Jij bent te slim. En ik ben te boos.”

Ze kuste hem opnieuw, langzamer dit keer, alsof ze de smaak van hem wilde onthouden. Zijn hand gleed weer tussen haar benen, vond haar nog nat van hen beiden, en begon opnieuw te strelen. Langzaam. Opzettelijk. “Nog een keer,” murmelde hij. “Voor de zekerheid. Voor als de nacht te kort is.”

Deze keer was het trager, dieper, bijna pijnlijk van intensiteit. Hij hield haar polsen boven haar hoofd vast met één hand, terwijl de andere haar heup vasthield, haar dwong precies de hoek te houden die hij wilde. Elke keer dat ze dichtbij kwam, stopte hij, wachtte, liet haar afkoelen, tot ze begon te smeken, half in het Castiliaans, half in het Vlaams, woorden die geen zin meer hadden. Pas toen liet hij haar gaan. Ze kwam met zijn naam tussen haar tanden, en hij volgde, diep in haar, alsof hij zichzelf in haar wilde begraven.

Later, toen de eerste grijze gloed van de dageraad de mist begon te verlichten, stond hij op, kleedde zich aan, en legde de gescheurde jurk netjes over een stoel alsof er niets was gebeurd. Hij boog zich over haar, kuste haar voorhoofd, en fluisterde: “Speel goed vandaag. Laat ze denken dat de waanzin je helemaal heeft. Ik kom vannacht terug. Met nieuws.”

De deur ging dicht. De grendel schoof. Juana lag nog een tijdje stil, luisterde naar zijn voetstappen die wegstierven in de gang. Toen stond ze op, liep naar het raam, en keek uit over de mistige daken van Gent. Ergens in die stad wachtten mannen met zwaarden. Ergens in die stad lag een flesje met iets dat naar wijn smaakte maar dat niet was.

Ze glimlachte, een kleine, koude glimlach die niemand ooit bij de gekke koningin had gezien.

Die dag speelde ze perfect. Ze weigerde te eten. Ze praatte urenlang tegen de lege stoel bij het raam. Ze scheurde haar tweede jurk open toen de kamervrouw kwam en schreeuwde dat er demonen uit de muren kropen. De bedienden renden weg. De wachten schudden hun hoofden. “Ze wordt erger,” fluisterden ze. “De hertog moet opschieten met die oorkonden.”

Maximilien kwam die avond later dan beloofd. Toen hij eindelijk de deur opende, rook hij naar regen en iets metaaligs. Bloed, besefte ze. Hij had bloed aan zijn laars.

“Een van de graven is verraden,” zei hij zonder begroeting. “Philip wist al iets. Niet alles. Maar genoeg om een man te sturen. Ik heb hem gevonden in de steeg achter de Vismarkt. Hij praat niet meer.” Hij trok zijn mantel uit. Er zat een snee in zijn bovenarm, niet diep, maar open. “De anderen houden stand. De kapiteins zijn klaar. De man in de keuken ook. Morgenavond gaat door.”

Juana pakte een stuk linnen, scheurde het, en begon de wond te verbinden. Haar vingers waren stabiel. “En Philip?”

“Hij komt morgenmiddag al aan. Een dag eerder. Iemand heeft hem gewaarschuwd dat er geruchten zijn.” Maximilien keek haar aan. “We hebben geen keuze meer. Het moet morgen. Tijdens het avondmaal. Of nooit.”

Ze knikte. “Dan doen we het morgen.”

Die nacht was er geen tijd voor langzame strelingen. Het was hard, bijna wanhopig. Hij nam haar tegen de muur, met haar benen om zijn middel, terwijl de toorts flikkerde en schaduwen over hun lichamen joeg. Haar nagels krasten over zijn rug, over de verse wond, en hij gromde van pijn en genot tegelijk. Toen hij haar op het bed legde, op handen en knieën, en van achteren in haar schoof, diep en onophoudelijk, voelde ze hoe de angst en de lust samenkwamen tot iets dat bijna te groot was. Ze kwam met zijn hand over haar mond, en hij volgde, stil, alleen een trilling in zijn lichaam die haar vertelde dat hij net zo dicht bij de rand was als zij.

Daarna lagen ze naast elkaar in het halfduister. Zijn vingers tekenden onzichtbare kaarten op haar huid: de route door de waterpoort, de plek waar de paarden stonden, de man die hen bij de Schelde zou opwachten.

“Als hij de beker leeg heeft,” fluisterde Maximilien, “tel tot dertig. Dan is het gebeurd. Ik kom hierheen. We gaan. Geen terugblik.”

Juana draaide zich naar hem toe. Haar hand lag op zijn borst, voelde de hartslag die te snel ging. “En als we vrij zijn? Wat dan?”

Hij keek haar aan, lang. “Dan regeren we. Jij als koningin. Ik als de man die niemand meer durft aan te raken. En ’s nachts…” Zijn hand gleed naar beneden, tussen haar benen, vond haar nog gevoelig, nog open. “’s nachts doe ik precies dit. Elke nacht. Tot je vergeet dat je ooit opgesloten hebt gezeten.”

Ze kuste hem, diep, en voor even was er geen Philip, geen mist, geen stenen muren. Alleen de hitte van zijn mond en de belofte van bloed en vrijheid.

De volgende dag brak grijs en nat aan. Philip arriveerde in de vroege middag, met een stoet van ridders en secretarissen. Juana hoorde het geschreeuw van de wachten, het gekletter van hoeven op de binnenplaats. Ze bleef in haar kamer, speelde de gekke vrouw die te bang was om naar beneden te komen. Ze hoorde zijn stem in de gang, hard, bevelend. “Houd haar binnen. Ik wil haar vanavond niet zien. Morgen teken ik de papieren.”

Maximilien kwam niet overdag. Hij moest bij Philip blijven, de trouwe bewaker spelen. Pas toen de avond viel en de mist opnieuw over de stad kroop, klonk er een zachte tik op de deur. Drie keer. Hun teken.

Hij trad binnen, gekleed in donkere kleren, de sleutelbos aan zijn riem. In zijn hand hield hij een kleine leren fles. “Het is klaar. De beker staat klaar in de eetzaal. Hij drinkt altijd de rode van Bordeaux eerst. Eén slok is genoeg. Twee is zeker.”

Juana stond op. Ze droeg een eenvoudige donkere jurk, geen juwelen, haar haar strak naar achteren. Klaar om te rennen. “Hoe lang?”

“Hij zit al aan tafel. Ik ga nu. Jij blijft hier. Speel. Hard. Laat de hele burcht horen hoe gek je bent. Als ze je schreeuw horen, komt niemand kijken waarom ik zo lang weg ben.”

Hij kuste haar één keer, hard, bijna pijnlijk, en was weg.

Juana wachtte. Ze telde haar hartslagen. Toen begon ze. Eerst zacht, pratend tegen de muren. Toen harder. Ze sleepte de stoel over de stenen vloer, liet hem omvallen. Ze greep de kan water en smeet die tegen de deur. Water spatte. Ze schreeuwde. Namen van engelen, van demonen, van dode koningen. Ze scheurde de lakens, maakte er lange stroken van, bond ze om haar polsen alsof ze zichzelf vastketende. De wachten buiten de deur begonnen te praten, ongerust. “Ze is erger dan ooit. Laat haar. De hertog zei dat we niet naar binnen mogen.”

Ergens beneden, in de eetzaal met de hoge balken en de zware tapijten, zette Maximilien de beker voor Philip neer. De hertog dronk. Praatte over de oorkonden die morgen getekend zouden worden. Dronk nog een slok. Maximilien stond achter hem, hand op het gevest van zijn dolk, en telde.

Dertig.

Philip greep naar zijn keel. Zijn ogen werden groot. Hij probeerde op te staan, maar zijn benen gehoorzaamden niet meer. Maximilien boog zich voorover, alsof hij hem wilde helpen, en fluisterde iets in zijn oor dat niemand ooit zou horen. Toen liet hij hem vallen. De stoel schraapte. Het lichaam zakte onder de tafel.

Maximilien liep niet. Hij rende. Door de gangen, de trap op, de sleutel al in zijn hand. De deur van Juana’s kamer vloog open. Ze stond klaar, de gescheurde lakens nog om haar polsen, haar ogen wild van gespeelde waanzin die onmiddellijk verdween toen ze hem zag.

“Nu,” zei hij.

Ze renden. Niet naar de grote poort. Naar de oude waterpoort aan de achterkant van de burcht, waar de Schelde tegen de muren klotste. De mist was hun bondgenoot. Twee mannen wachtten met paarden. Een derde met een boot die al half in het water lag.

Achter hen klonk het eerste geschreeuw. Iemand had Philip gevonden.

Juana klom in het zadel alsof ze haar hele leven had gereden. Maximilien achter haar, zijn arm om haar middel, zijn mond tegen haar oor. “Rijd. Hard.”

De hoeven sloegen op de natte kasseien. De mist slikte hen op. Achter hen rezen de torens van de Gravensteen als zwarte tanden tegen de nacht. Vrijheid smaakte naar koude lucht en de warmte van zijn lichaam tegen de hare.

Ergens in de stad begonnen de klokken te luiden. Te laat.

Ze reden tot de lichten van Gent achter hen verdwenen in de grijze deken. Pas toen, bij een kleine herberg buiten de muren waar betrouwbare mannen wachtten, stopten ze. In de kamer boven, met één kaars en een bed dat kraakte, nam hij haar opnieuw. Niet hard dit keer. Langzaam. Diep. Alsof hij de jaren die ze hadden gestolen van hen terug wilde nemen. Haar benen om zijn middel, zijn mond op haar mond, hun lichamen die bewogen alsof ze al eeuwen bij elkaar hoorden.

Toen het voorbij was, lag ze met haar hoofd op zijn borst en luisterde naar zijn hart.

“Morgen,” fluisterde ze, “begint de oorlog.”

Hij kuste haar haar. “Morgen regeren we.”

Buiten kroop de mist verder over de velden, alsof hij de sporen van twee vluchtelingen wilde wissen die de geschiedenis van Europa zojuist hadden herschreven met bloed, list en een liefde die in geen enkele kroniek ooit zou worden opgeschreven.

Tip Salty Vixen